De Econometrist

De Econometrist neemt een statistische kijk op de wereld.

Economie

Economische zeepbellen: een korte historie

 

Een zeepbel is een economische situatie waarbij de prijs van iets ver boven zijn eigenlijke waarde ligt. Door de geschiedenis heen hebben dergelijke situaties zich voorgedaan en dit heeft tot malaise op de markten geleid. Waarom zo’n situatie voor komt blijkt achteraf vaak wel te verklaren. Waarom niet vooraf? En wat zijn de signalen die mensen wél van tevoren op zouden kunnen vangen?

De eerste bekende zeepbel komt van een situatie in ons eigen land. Omstreeks 1630, toen Amsterdam in al haar glorie het handelscentrum van de wereld was, bleek een plant uit het Ottomaanse Rijk ook zeer goed te gedijen op de Nederlandse klei. Deze plant werd de tulp genoemd en werd al gauw een statusobject voor de Amsterdamse elite. Een grote tuin met vele tulpen werd een manier om te laten zien dat men tot deze elitaire klasse behoorde. Vanzelfsprekend leidde dit tot een hogere prijs voor tulpen en daarmee werd het een nóg gewilder statusobject. Dit alles zorgde ervoor dat iedereen tulpenbollen kocht in een poging om mee te liften op de prijsstijging. Tulpen werden verkocht voor bedragen die gelijk waren aan een paar hectare grond. In één situatie zou de speciale ‘semper augustus’ tulp verkocht zijn voor een bedrag gelijk aan een grachtenpand. Uiteindelijk stortte in 1637 de prijs voor tulpen volledig in. De eerste zeepbel was gespat. Dit alles werd voor het eerst uitvoerig beschreven in het boek Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds van Charles Mackay, welke overigens bij de UB Groningen te leen is. (PS: er is enige discussie over de grootte van de tulpmania).

Een recenter voorbeeld is de internetzeepbel (dot-com bubble) die eind jaren 90 ontstond. Vanaf 1996 begon het internet vorm aan te nemen en werden haar potenties plotseling duidelijk. Kopers zouden niet meer van hun stoel hoeven te komen om een product aan te schaffen en bovendien konden kopers en verkopers, die elkaar anders nooit zouden ontmoeten, elkaar nu wel vinden. Deze mogelijkheden zouden ongekend zijn en al snel heerste onder de generatie X (1961-1980) de tendens dat zij degenen zouden zijn die hier snel rijk mee konden worden. Deze generatie nam het minder nauw met bedrijfskundige principes die al jaren de norm waren. De waarde van een bedrijf werd niet bepaald aan de hand van de opbrengsten, maar aan potentie voor opbrengsten: growth over profits was een veelgehoord devies. Traditionele waarderingen waren immers iets ouderwets en bij dit nieuwe digitale tijdperk waren nieuwe bedrijfskundige principes gepast. Deze onkunde samen met het heersende optimisme sloegen over naar de financiële markten. Dit resulteerde erin dat miljoenen aan durfkapitaal werd geïnvesteerd in alles wat met het internet te maken had. Alleen een naamswijziging van ‘voorbeeldbedrijf’ naar ‘voorbeeldbedrijf.com’ kon al zorgen voor investeerders. Een voorbeeld van een nieuw bedrijfskundig principe dat deze investeerders gebruikten was om te kijken naar de zogenaamde burn rate, dat is de snelheid waarmee een startup het geld van zijn vorige investeringsronde spendeerde. De gedachtegang hierachter is dat een bedrijf dat per gebruiker alleen kosten maakt, veel kosten maakt bij een groot aantal gebruikers. Een bedrijf met een hoge burn rate heeft dus veel gebruikers en daarmee veel kans op een monopolie in een later stadium. Deze bedoening kon natuurlijk niet altijd stand houden: op 10 maart 2000 plaatsten Dell en Cisco grote verkooporders op de NASDAQ, wat leidde tot onrust op de financiële markten. De NASDAQ stortte in en langzaam maar zeker werd duidelijk dat het om een zeepbel ging.

Een andere bekende zeepbel is die op de huizenmarkt in de Verenigde Staten in 2007. De huizenmarkt stortte daar in en dit had wereldwijd desastreuze gevolgen. De oorzaken van deze zeepbel lopen wijd uiteen en dit was onderwerp van discussie. Een veel genoemde oorzaak was een combinatie van een slecht fiscaal beleid, lage rentestanden, makkelijk lenen, gebrekkig ingrijpen van toezichthouders en mogelijk ook overblijfselen van de dot-com bubbel. Dat er sprake was van een slecht toezicht en foute regulering werd in 2010 bevestigd door toenmalig minister van Financiën Timothy Geithner:


“For many years, the housing finance system provided credit to households in a reliable and stable manner, setting appropriate standards for mortgage origination, and attracting diverse sources of capital through securitization. However, insufficient regulation and enforcement was unable to check increasingly lax underwriting, irresponsible lending and excessive risk taking. Increasing usage of complex products led to a growing misalignment of incentives facing mortgage brokers, originators, credit investors and borrowers. — Secretary Timothy F. Geithner, Written Testimony, House Committee on Financial Services, March 23, 2010

 

Een voorbeeld van regulering die beter had gemoeten was de zogenaamde Recourse Rule, een toevoeging op het Basel I akkoord welke de grootte van minimale kapitaalbuffers van banken bepaalde. Deze regulering kende risk weights toe aan producten die banken verstrekten. Voor een hypotheek was deze 50%, voor hypotheekobligaties 20%.

Dit zorgde ervoor dat banken hypotheken verstrekten, deze verkochten aan investment bankers die de hypotheken opsplitsen en verkochten als obligaties. Deze obligaties werden teruggekocht door banken en nu hoefden ze op dezelfde hypotheken, waar ze eerst 50% buffer op moesten vasthouden, nog maar 20% buffer vast te houden. Deze constructie gaf 30% meer kapitaal dat geherinvesteerd kon worden. Hierdoor nam de vraag naar deze obligaties toe, vervolgens nam de vraag naar hypotheken om in obligaties te stoppen ook toe. Dit zorgde ervoor dat steeds riskantere hypotheken verkocht werden op steeds duurdere huizen.

Bovendien werd het door de spreiding van producten in portfolio’s steeds moeilijker om te checken of de obligaties een risico met zich meedroegen. Dit zorgde voor beschuldigende vingers richting Moody’s en S&P’s in de nasleep van de crisis.

Gevolgen zeepbel

Hoe een zeepbel economisch exact in elkaar steekt is moeilijk te zeggen. Verschillende economische scholen geven hier andere antwoorden op. De bekendste, de post-Keynesiaanse school, zegt dat er niks gedaan kan worden om een zeepbel te voorkomen. Dit zou komen doordat mensen nou eenmaal spontaan optimistisch worden. Wat mensen wél kunnen doen, is monetair en fiscaal beleid gebruiken om de gevolgen van een zeepbel te verzachten.

Dit staat haaks op het beeld dat we moeten geloven van de Oostenrijkse School. Deze zegt dat juist ingrepen in de economie de conjunctuur veroorzaken. Volgens dit gedachtegoed zou de te coulante Federal Reserve System (FED) policy gezorgd hebben voor te veel investeringen, wat op zijn beurt zorgde voor de internetzeepbel.

Eén ding is zeker: er is weinig enigheid over de voorspelbaarheid en de aanpak van een zeepbel. Alan Greenspan, voorzitter van de FED tussen 1987 en 2006, is het daarmee eens. In terugblik op de crisis sprak hij:


I had at my call 250 first-rate PhDs in economics. I mean good ones. They’re building this thing we called FRB/US, this extraordinarily clever set of the most advanced econometrics that you can imagine. With every bell and whistle that anybody suggested, it was in there.  It missed the crisis.

 


Dit artikel is geschreven door Tim van Schaick

timvanschaik

Deel dit artikel:

By Daniele Zedda • 18 February

← PREV POST

By Daniele Zedda • 18 February

NEXT POST → 34
Share on